zondag 30 juni 2013

1745-1750 Maritje Sloos

DTB 11 Hoorn, gereformeerde doop
den 31 dito (augustus 1745) - Jan (zoon van) Wouter . . . . . de moeder Maritje Jans


MARITJE SLOOS

Op 26 augustus 1745 bevalt Maritje Sloos van een zoon die ze Jan noemt en 5 dagen later (31 aug) gereformeerd gedoopt wordt te Hoorn. Volgens het doopboek is "de moeder Maritje Jans, de vader Wouter ...".  Ze is dan 30 jaar oud en ongehuwd. (Ze verloor haar vader op haar 6e en haar moeder op haar 19e levensjaar.)

Dit komt de kerkeraad (gereformeerde gemeente) ter ore en is agendapunt op de vergaderingen van 2 en 9 september. Men besluit haar na haar herstel van het kraambed ter verantwoording te roepen.

Op 18 september verklaart Maritje nog wat siek en swack, aan notaris Warius dat de gehuwde Wouter Alkmaar (commissaris Van de kleine zaken [1] en Wijnkoper, 33 jaar oud en al 11 jaar getrouwd, vader van drie kinderen [2]) alleen vader van dat haar kind en niemant anders te weesen omdat ze met niemant anders als met [hem] ooijt ofte ooijt eenige vleeselijke conversatie hadde gehouden. Op dezelfde dag stelt deze WA advocaat de Monchij en procureur Pereboom aan om hem te vertegenwoordigen in het proces, 't welk hij als verweerder genoodsaakt sal wesen te voeren tegens den Heere Hoogschout.

Twee dagen later (20 sept) begint dit proces. WA wordt ervan beschuldigd dat hij een getrouwt man sijnde, sigh selven niet heeft ontsien, omme na veel aansoek, vleijerijen, en persuasien Marijije Sloos, sijnde een ordentelijke ongetrouwde burgers dochter alhier, soo verre te seduceren ende te misleijden dat hij met haar vleselijk heeft geconverseert; en wel met die gevolgen dat sij door hem ged. is beswangert geworden en op den 26 augustus laatstleden van een soontje in het kraambedde is bevallen en verlost. Waardoor hij ged sigh schuldigh heefi gemaakt aan de zonden van overspel, dewelke volgens de eijgen woorden van den souverain deser landen, den toorn Godts verwekken ende ontsteken over de landen en volken daar onder die regneren en ongestraft gelaten worden. Zijn straf zal eruit bestaan dat hij wordt verklaart als eerloos ende meijneedigh met er daat te hebben verbeurt sijn officie en staat en voorts incapabel omme eenige staat ofte officie binnen dese landen ofie steden te mogen bedienen. Bovendien wordt hem opgelegd een boete van hondert Caroli guldens, ende wijders dat de vorengemelte boete sal werden gequadrupliceert.

Twee weken later (4 oct) antwoordt Pereboom namens de gedaagde WA dat de middelen en positiven van eijsch zijn fals versiert onwaarachtig door een infame hoer gepractiseert, tegens alle waarheijt gedivulgeert, en bij den eijsser zeer onvoorsigtig en al te onbedagt den ged. aangezegt en als waarheden geposeert, pleit daarom niet ontfanckelijk en bij ordine tot absolutie van dese zeer temeraire [3] eijsch en genome conclusie speciaal niet de costen, alles ongepro-indiceert en onvermindert alle zaodanige pretensien aft actien zoo in cas van hoon als anderstnts, als hij ged. in tijd en wijlen zoud willen doen en nemen zoo tegen den eijss. als Marijije Sloots [4]. Hij pleit dus niet alleen onschuldig, maar Wil zich zelfs het recht behouden schadevergoedingen te eisen van de schout of van Maritje indien zijn goede naam door deze zaak geschaad zou worden.

Een week later (11 oct) dient Johannes de Roodt, procureur van de schout, van repliek. Hij stelt dat het de onbeschaamtheijt selve is, dat de ged. den hr eijs. welke in dese amptshalven, en om het reght van de hoge overigheijt te bewaren, procedeert, niet alleen de stoutheijt heeft te insimuleren van onvoorsigtigheijt, en al te onbedaaghtsaamheijt in het entameren deser proceduren, maar selfs, dat de ged. sigh tot die vermetelheijt heeft laten vervoeren van daar en boven deswegens tegens dan hr. eijs. voor sigh te reserveren alle soodanige pretensien ofie actien, soo in cas van hoon als andersints  dat de ged. verders bij sijn antwoort doet sien dat hij omtrent het bij hem geperpetreerde overspel heeft een toegeschroeijde conscientie, wanneer hij den accusatie daarvan voor vals versiert en onwaraghtigh niet alleen komt af te schilderen, maar ook een eerlijke burgersdoghter (immers voor

[1] Iemand die kleine gedingen ‚ b.v. over schulden afhandelt.
[2] Althans, drie kinderen gedoopt (1735, 1736 en 1739). Of deze kinderen zijn blijven leven is me niet bekend.
[3] overmoedige
[4] Men nam de spelling van namen niet zo nauw als tegenwoordig. Het fout spellen van iemands naam kon echter ook minachting uitdrukken wat in dit geval niet ondenkbaar is.


soo verre den hr. eijs, bekent is) welke door hem ged. op alle mogelijke wijse is geseduceert en misleijdt geworden; voor een infame hoere komt te betighten, sullende den hr. eijs. in tijt en wijlen wel in staat sijn dan reghten genoegh te verifieeren. Hij slaat alle eventuele schadeclaims van de hand en blijft bij de eis van 20 september. Weer een week later (18 oct) heeft de gedaagde partij gereageerd op de repliek. De tekst van deze reactie is echter (nog) niet bekend. Waarschijnlijk komt die er op neer dat uitstel wordt gewaagd om bewijsmateriaal in de vorm van getuigenverklaringen te kunnen verzamelen.

De kerkeraad heeft inmiddels (28 oct) geconstateerd dat Maritje weer naar de kerk is geweest en besluit haar op de volgende vergadering (4 nov) te ontbieden.

Maritje geeft gehoor aan deze oproep en verschijnt op de vergadering van 4 november. De preses stelt haar met alle nadruk op een alderzielroerendste wijs haar zondig wangedrag van overspel voor ooge ... zij beleed daaraan schuldig te zijn en berouw te hebben van haar wangedrag, en storte daar over eenigsins trane. De vergadering besluit haar voorlopig onder "censuur" [5] te zetten. Haar komst
wordt geprezen, maar nogmaals wordt benadrukt de schrikkelijkheijd, grouwelijkheijd en verfoeijelijkheijd van die zonde. (N.B. Maritje heeft dus niets gezegd over WA'S betrokkenheid in deze zaak, Deze zal pas 3 maart ter sprake komen in de kerkeraad.)

Op 24 november leggen Maritje, haar zus Jannetje (33 jaar, ook ongehuwd) en hun tante Pietertje Sloos (70 jaar, weduwe) veklaringen af bij notaris Warius. Hieronder volgen de belangrijkste punten:
Pietertje verklaart dat WA in 1743 en vooral 1744 diverse malen 's avonds bij haar naar MS kwam vragen, o.a. eens (april of mei '44) om ± half elf 's avonds doende sij op sijn aankloppen de deur open met een brandende lamp in haar hand, en vragende hij aanstonts haar of Maritje Sloos niet in haar huijs was, waarop sij antwoorde van neen, en hij tegen haar, "dat weet ik beter, ik heb haar gehoort",
nemende daarop de lamp van haar en soekende alsoo haar huijsje door, tot selfs op haar veld, dogh dat hij Maritje Sloos niet vindende ook weder ten haren huijse is uijtgegaan.
Dat toen MS eens bij haar was om naaiwerk te doen, hij om 9 uur 's avonds kwam en net zolang bleef tot ze gegeten hadden en MS naar huis ging, waarop hij haar volgde.

Jannetje verklaart dat ze al enige jaren en vooral sinds ze met Maritje bij hun tante wonen op 't Smerighom (thans "Breed") heeft gemerkt en gezien dat WA Maritje vaak kwam bezoeken en als ze niet thuis was haar ging zoeken en volgen. Dat hij vaak 's avonds, m.n. het laatstleden jaar haar thuis bezocht en dan waar Jannetje bij was wel aanhaalde, kuste, en liefkoosde, even of hij vrijer van haar was. Dat sij wel tegen hem heeft gesegt "Hoe kan je sulke malligheijl met mijn suster uijthaale je bent immers een getrouwt man", jae selve hem sulx wel heeft verboden, dagh dat hij dan haar altijt te gemoet voerde "Wel Jannetje, ik sal haar geen quaat doen". Deze gang van zaken stootte haar dermate tegen de borst dat zij hem veelmalen, als hij bij nagt of ontijden aan haar deur quam kloppen hem heeft laten staan, en niet opengedaan. Zij heeft gemerkt dat hij later meestal kwam als Maritje alleen thuis was. Dit alles duurde voort tot october of november 1744. Verder verklaart ze dat nu twee jaar geleden seker vrouwspersoon wonende op de dijk savonts ruijm tien uren ten haren huijse is gekomen om lind te kopen en de deur aanstaande, hij Wouter Alkmaar, dies tijts vrij beschonken sijnde, de deur opendeed, en in huijs quam vragende nae haar suster Maritje Sloos, en willende bij haar wesen, dog twelk sij tragtende te beletten en daarover woorden met hem krijgende, gaf hij haar slagen op de arm, en wilde met geweld in haar huijs en bij haar suster blijven, dog twelk hem voor dien tijt, (vermits sij veel geraes maekte) mislukte en hij soo weder vertrock. Tenslotte meldt ze dat Maritje dikwijls nog in de kraam leggende, en dodelijk swack sijnde, haar heeft verzekerd noijt nogte nooijt niet ijmant anders ter werelt als met Wouter Alkmaar te hebben gehad ofte gehouden eenige vleeselijke conversatie.

Maritje zelf, out omtrent ses en twintigh jaren (ze was in werkelijkheid 30 jaar) bevestigt de verlaringen van haar zus en tante, en verklaart bovendien dat WA al verscheijde jaren conversatie bij haar heeft gesogt en gevonden, en ínsonderheijt nu tsedert drie en meer jaren haar bijnae overal heeft opgesagt, en vervolgt, als ten huijse van Vrouwtje Collemans, banketverkoopster alhier, alwaar hij als sij daar was te naijen savonts quam om iets te koopen, nae haar vraagde, binnen bij haar quam sitten, waarop Vrouwtje

[5] kerkelijke straf. waarschijnlijk betekent dit dat de betrokkene niet mag deelnemen aan het heilig avondmaal.


de Boer Colleman tegen haar seijde "als je malkanderen moet spreken gaan dan in de kamer ", dogh waarop sij antwoorde "ik heb hem niet te spreken", waarop hij dan ook nae eenigh verblijff vertrocken is.

Gelijk hij ook wel bij avont en ontijden nae haar heeft gevraaght bij ende ten huijse van Marijtje Carels tans wed: van Jan van der Paden alhier, dat hij eijndelijk door al dat naeloopen, vlijen en aansoekingen haar soo verre heeft weten te bepraten, dat hij haar vervolgende mede in haar huijs is gekomen, haar soenende, voelende en sodanigh stoeijende dat sij in de binnehaart op de gront is nedergeraekt en alsoo met haar vleeselijk heeft geconverseert, seggende meermalen "ik salje maineteneren". Dat nae dien tijt hij dikwels en als haar suster uijt was met haar vleeselijk heeft geconverseert, levende met haar even off sij sijn vrouw geweest was, seggende dan wel tegen haar onder liefkosengen, "ik woude wel dat je op een andere plaats en niet soo digt over mijnent woonde, dan konde wij meer vrijheijt hebben, je moest in een andere buurt een huijs huuren, ik salje niet verlaten blijff mijn ook maar getrouw, ik salje mainteneren, maar als ik wist datje met een ander verkeerde of wilde te doen hebben dan soud ik nooijt weder bij U komen", of diergelijke beloften en redenen in substantie. Dat sij int best van de somer van den voorledene jare 1744 opt versoek van hem, en nae onderling overleg, met hem in een schuijt, als die van één uuren, van dese stadt over Purmerent naar Amsterdam is gevaren, en daar om en aan seven uren aangekomen sijnde, heeft hij haar binnen Amsterdam geleijt in een herberg haar onbekent, hoe genaamt, of op wat straat staande, alwaar sij met den anderen dien avont hebben gegeten en gedronken, en naedien als man en vrouw met malkanderen sijn te bedde gegaan, hebbende hij haar dien naght meer als een, in verscheijdene malen gebruijkt en met haar vleeselijk geconverseert.

Als wanneer sij te samen smorgens opgestaan sijnde, nae het drinken van coffij hij haar uijt die herberg van daan heeft gebragt tot aan den dam en toen afscheijt van haar heeft genomen, als wanneer sij haar suster Jannetje Sloos die sij wist dat toen te Amsterdam soud sijn van de schuijt heeft afgehaalt, en bij haar is gebleven, tot des nademiddags ten vier uren, als wanneer sij in geselschap van haar suster weder van Amsterdam is gevaren. En te Purmerent gekomen sijnde, hebben sij en haar suster (die sulx mede verklaart) Wouter Alkmaar aldaar in een der herbergen bij de Beemsterpoort sien sitten, die in de roeft, en sij binnen in een en de selve schuijt naar Hoorn zijn gevaren.

En eijndelijk dat Wouter Alkmaar dat leven met haar heeft gecontinueert tot in de maand october of november 1744 als wanneer hij de laatste maal met haar vleeselijke heeft geconverseert, dogh tsedert niet weder bij haar is gekomen.
[6]

Tenslotte betuigt ze heijliglijk met niemant anders de minste vleeselijke conversatie als met Wouter Alkmaar te hebben gehouden, en die alleen vader van het kint waarvan sij den 26 augusti laatstleden is verlost te sijn.

Deze verklaringen worden bij de voortzetting van het geding op 6 december door de eisser (aanklager) getoond. De gedaagde zal het er niet bij laten zitten.

Op 14 en 17 december legt een vijftal getuigen op verzoek van Wouter Alkmaar verlaringen af die een totaal ander beeld schetsen.

Eerst komen een oud-buurman Pieter de Ruijter en zijn toenmalige dienstmeid Marijtje Andries‚ die inmiddels zijn vrouw is, aan het woord

N.B.! Marijtje Andries is een bekende uit de notulen van de kerkeraad: op 2 september 1745 is zij nog door aanhoudend wangedrag onder censuur.

Zij verklaren dat Jannetje en Maritje Sloos, dikwils ten huijse van hem deposant plegen te komen om een buurepraatje, en hem als familiaire buure te besoeken, en alsoo menigen avond bij hem hebben gepasseert.

Dat laatstleden vastenavond drie jaren geleden het gebeurt is, dat Jannetje en Maritje also ten zijnen deposants huijs wesende, gekomen seker ongetrout persoon (om redenen niet te noemen) des avonds mede ten zijnen huijse quam coffij te halen. Dat die persoon, merkende of wetende dat Jannetje en Maritje agter saten, hem deposant vraagde off hij wel mogt agter bij haar gaan. Dat hij deposant zulx


[6] De conceptie moet eind november of begin december hebben plaatsgevonden.


toestaande, die persoon daarop nae agteren gingh. Dat hij Jannetje en Maritje, nevens dien ongetroude persoon, en nog ijemant anders heeft getracteert op brandewijn met suijker. Dat wel speciaal bij Jannetje en Maritje Sloos rijkelijk brandewijn met suijker is gedronken.

De toenmalige dienstmeid verklaart dat ze, nadat ze Jannetje, die naar huis wilde, had uitgelaten, Maritje vond sitten op de knie van dien ongetroude persoon, hebbende sij geen rijglijf aan, en haar boesem open, sittende in een onbetamelik postuur, latende haar op een seer onmanierlijke wijse van dien ongetroude persoon aangrijpen, handelen en bevoelen, in soo verre dat sij [Marijtje Andries], haar daar aan ergerende, tegen Maritje uijtvoer, "wel foeij Maritje, sit je daar zoo?" Maritje dat beantwoorde met te seggen, "wel nouw Marijtje is daar zoo veel aangelegen? ik doe er geen quaad aan. 't gaat met de vreught en de soetigheijt door".

Verder verklaren deze getuigen dat een wijle tijts voor dat dien ongetroude persoon Maritje op zijn knie hadde gehad, denselve persoon sijn goutbeurs overgaff aan een andere persoon aldaer mede present, seggende "ik sal het wel eens weder halen, ik betrouw 't bij mij niet"‚ waar over met malkander aan de praat gerakend seijde die ongetr. pers. "'t zijn niet alleen hoeren, maar 't sijn dieve hoeren', zulx duijdende op Jannetje en Maritje Sloos.

Pieter de Ruijter verklaart verder dat als wanneer Jannetje 's anderen daags morgens bij hem quam, hij haar daar over aansprak, seggende "hoe kunt gij uw alsoo laten uijtschelden voor hoeren en dieve hoeren hoe kunt gij dat verdragen?" Jannetje daarop seijde, "dat is niet waar, dat is niet geschiet". Dat hij wel wetende dat sulx al waar was, selve willende bewaarheijt hebben voorn. persoon savonds daarom versoght bij hem te komen, nevens Jannetje en Maritje, gelijk ook dan te samen quamen. Dat hij denselve persoon in presentie van Jannetje en Maritje daarop heeft afgevraaght, off hij de gepasseerde naght, onder 't overgeven van sijn goudbeursje, niet geseght hadde, dat zij niet alleen waren hoere, maar dieve hoeren, dien persoon, toen nughteren en wel in staat wesende daarop rondborstig antwoorde "ja, dat ik van de naght geseijt heb, dat seg ik nog en dat houw ik staande, en daar blijf ik bij". Dat 't selve bij Jannetje en Maritje met stilswijgen wierd beantwoord, sonder ijets daar tegen ingebragt te hebben.

Dat des niet tegenstaande, nae dien tijt, die ongetroude persoon meermalen bij Jannetje en Maritje in huijs is geweest, en met malkander hebben omgegaan, meest bij avond en ontijden.


Verder verklaart Pieter de Ruijter dat ca. 2 jaar geleden Jannetje savonds om elf uuren, zooals hij deposant al te bedde lag, hem heeft opgeroepen, en versogt met haar te gaan, om haar suster Maritje (die sij zeijde een swaar overval gekregen te hebben, ten huijse van een vrouw die zij peet Maritje
noemde, en op de turfhaven woonde) te helpen thuijs brengen.

Dat hij, al vrij wat daartegen aan sagh, dog eghter het selve niet kunnende weijgeren, met haar is meegegaan. Dat hij komende ten huijse van dat peet Maritje aldaar Maritje in onmaght vond leggen op de vloer. Dat hij haar ter deegh beschouwende en willende ophelpen, bevond, dat sij dronken was, van dronkenschap op de vloer lagh, en buijten staat was om selfs off alleen nae huijs te kunnen gaan. Dat hij deposant over dat geval wel wat gevoeligh en niet wel in den sin was, eghter de moeijten nam, van haar in die gestalte te helpen thuijs brengen.


Ze vervolgen door te verklaren dat ze dikwils, bij naghten en ontijden onderscheijden manvolk ten huijse van Jannetje en Maritje hebben gehoort ende vernomen, en veelmalen groot rumoer op haar deur bespeurt. Dat het ook wel gebeurt is, dat in sulken geval, Jannetje en Maritje aan hem riepen om
hulp, dogh dat hij sigh niet gaarn in rusi en ongemak willende steken, sigh binnen sijn deur hieuw. Dat als Jannetje dan smorgens daaraan bij hem deposant quam om regenwater, hij deposant wel tegen haar zeijde, Jannetje wat heeft van de naght weer een groot gewelt aan uw huijs geweest, zij dan meestentijts daarop niet veel antwoorde, maar ten eenemaal stil sweegh.


De derde getuige is Dirkje Koelemans, huijsvrouwe van Jan Visser, dewelke heeft verclaard dat laatstleden st. Claas avond den 5. deser, zoo als sij quam gaan voor de herberg 't Ongemaakte Schip tusschen tien en half elven seker heer haar op sij schoot en haar aansprak, seggende "vrouwtje, of susje weet gij mij niet te wijsen waar de Sloosjes wonen?" sij daarop "ja, moet gij bij die hoer wesen hij weder "ja", sij met dien heer op 't Smerighorn voortliep en hem aldaar 't huijs van


Jannetje en Maritje aangewesen heeft.

Dat dien heer aan 't huijs kloppende, hem aanstonds wierd open gedaan, en hij daarop binnen gelaten is geworden. Dat sij de nieusgierigheijt hebbende off dien heer ook schielijk door weder zoud uijtkomen, eenige tijt sig daaromtrent heeft opgehouden en haar nog op de deur van het huijs houdende tot dat het haar verveelde, sij niet anders bespeurde off dien heer bleef daar binnen.


Verder verklaart ze dat ze dikwils en wel in den jare 1744 en bevorens, savonds is gekomen aan 't huijs van Jannetje en Maritje, om waar te halen. Dat sij deposante dan ook wel dikwils bespeurt heeft dat aldaar geselschap was van manvolk. Dat het ook wel gebeurt is, dat sij bij avondt vier manspersonen tegelijk op de stoep en op straat voor de deur van de gezusters heeft gesien, die ook gesamentlijk aldaar in huijs wierde gelaten.

De vierde getuige is Jan Wiggertsz, knecht in de herberg "het Huijs van Gemak" bij de Westerpoort. Hij verlaart dat op seker st. Laurens kermis, drie a vier jaren geleden, in de herberg quamen logeren drie heeren zoo als het scheen, met oogmerk om alhier kermis te houden. Dat twee van die drie hem vraagde of hij niet wist, of haar konde besorgen twee vrouwluijden, die met haar kermis soude willen houden. Dat hij daarop antwoorde: "ja", die twee heeren: "dan is 't wel, besorgt se dan".

Dat hij daarop is gegaan na Jannetje en Maritje Sloos en ze te kennen gaf dat in 't Huijs van Gemak waren gekomen drie heeren om alhier kermis te houden en dat twee van de drie hem hadde gevraagt na twee vrouwluijden om met haar kermis te houden.

Dat sijn gedaghten waren gevallen op haarluij en dat hij om die boodschap nu bij haar quam, en of zij daar toe niet wel genegen waren? Dat Jannetje en Maritje daarop aanstonds hebben geantwoord van ja, en dat sij dat aannamen.

Dat kort daaraan Jannetje en Maritje sijn gekomen bij voornoemde heeren, en met deselve sijn uijtgegaan, blijvende die heeren savonds en 's naghts buijten 't Huijs van Gemak en quamen niet voor dag thuijs.

Dat hij 's naghts over straat en in de kermis wandelende, die twee heeren met Jannetje en Maritje ook nog heeft aangetroffen in een wafelkraam.


Tenslotte verklaart deze getuige dat hij ca. twee jaar geleden op een avond om negen uuren is geweest ten huljse van Pieter de Ruijter (de toenmalige buurman van de zusjes), dat diestijts aldaar mede present waren Jannetje ende Maritje, dat sijluijden gesamentlijk door Pieter de Ruijter wierde getracteert op een bitter janevertje, dat sijluijden uijt een flesje met malkander in 't rond, om dronken. Dat Jannetje en Maritje eijndelijk zoo ver heen quamen en van den drank sodanig bevangen en dronken wierden, dat ten eenemaal buijten staat waren en dat dat geselschap niet scheijden voor in de morgenstond bij gissingh om en aan drie uuren.

De laatste getuige is Neeltje Hendriks, de vrouw van een neef van Jannetje en Maritje: Cornelis Beschier. [N.B. Jannetje en Maritje hebben ± 1740 een grote erfenis gehad van een oud-oom, die aanvankelijk ook deze neef in zijn testament had staan, maar later niet meer.]

Neeltje verklaart dat in het laatste thuis wesen van haare neef Jan vander Paden uijt India, zijnde geweest in de nasomer of herfst van 't jaer 1744, sij deposante hadde gehoort dat hare neef 's naghts, een en andermaal was geweest bij haar nigten Jannetje en Maritje.

Dat sij hare neef Jan vander Paden daarover had aangesproken seggende: "wel foeij neef, ik hoor dat gij bij naght geweest zijt, een en andermaal, bij de nigjes Jannetje en Maritje Sloos, wat doet gij daer snagts, gij zijt een getrouwt man, het past uw niet, gij hebt selfs een vrouw, en sij staan immers niet ter goeder naam en faam?" Hij daar op tot antwoord hadde gegeven: "ja nigt het is waar, ik hebber geweest, dog ik wist niet dat het sulke hoeren waren gelijk als ik er aan bevonden heb, het heeft mij gelt genoegh gekost, ik sal der noijt weder komen."


Terug naar de rechtzaak. Twee weken na het geding waarin de verklaringen van Maritje, Jannetje en hun tante zijn gepresenteerd‚ komen op 20 december deze bovengenoemde getuigenverklarìngen op tafel‚ Ruim een maand later, op 24 januari 1746 worden de partijen weer opgeroepen om het


declaratoir te horen‚ waarmee de zaak af is. Een declaratoir vonnis is tegenwoordig [van Dale:] een vonnis waarbij alleen het bestaan van een recht wordt erkend of geconstateerd, zonder verdere veroordeling. Wat dit declaratoir was is helaas in de bron niet opgenomen. Het is niet waarschijnlijk
dat Wouter Alkmaar is vrijgesproken zoals in het volgende zal blijken.

De notulen van de kerkeraadsvergadering.

Pas op 3 maart 1746 komen de eerste geruchten van overspel door WA op de agenda. Hij wordt direct ontboden en verschijnt op de volgende vergadering van 10 maart.

De praeses (voorzitter) wijst hem op een seer nadrukkelijke en teedere wijse op het gerugt datter liep van overspel waaraan men seide dat hij sig hadde schuldig gemaakt; hetwelk van Wouter Alkmaar ontkent wierd, en gesegt dat de afmaking bij de schout buijten sijn kennis en weeten geschied was [7], en
betuijgde verders aan het betigte overspel met Maritje Sloos in geenen deele schuldig te sijn waarop vervolgens Wouter Alkmaar buijte gestaan hebbende wederom binnen stond, als wanneer de heer preses hem ernstig vroeg (1) of hij voor God en dese vergadering met een goed geweten dorst te betuijgen dat hij aan het voornoemde overspel onschuldig was (2) of hij wel vrijheid bij sig selft vond om des wegen aan het Heilig & Hoogwaardig avontmaal te durven naderen? waarop hij antwoorde voor sig selft van jaa en dat hij wel Vrijheid hadde bij sig selft om aan het avontmaal te gaan.


Hiermee is de zaak voor de kerkeraad voorlopig afgedaan. Anderhalve maand later echter, op 28 april moet WA weer verschijnen voor de vergadering:

Wouter Alkmaar verscheen stoutmoedig op de eerste citatie, maar gedroeg zig, tot groot ongenoegen dezer vergadering, hartnekkig en onbeschaamt, in 't verschonen, bedekken en verbloemen zijnes ergerlijken ingangs, in 't zo befaamde hoerhuis, op de Westerdijk, genaamt de Prins, en wegens zijn
beschonken dartel bedrijf aldaar genoegzaam zijn misgedrag schaamteloos ontkennende. Darom besloot de vergadering dezen hardnekkigen zondaar scherpelijk te bestraffen, en aan te kondigen dat hij zig provisioneel moest onthouden van het H. Avondmaal, terwijl de wijkpredikant & ouderling op
zijn gedrag zeer nauw zouden letten, of hij in 't vervolg met stigting zoude konnen worden toegestaan 't gebruik van dat H. Bondzegel. Welk alles door den Eerw. Preses langmoedig & krachtig is verrigt en hem is aangezegt, waarop Wouter Alkmaar aan den Preses fors en oneerbiedig antwoorde: "ik ben uw
dienaar, maar zal mij dan ook van de kerk wel wagten
(D.w.z. dat hij de normale kerkdiensten ook niet meer zal bezoeken.)

Nog geen vijf jaar later, op 20 augustus 1750 is hij van zijn Vrouw gescheiden. [Hij overleed eind 1756.]

Hoe is het Maritje verder vergaan?
  • Hoogst waarschijnlijk is het buitenechtelijke kind jong overleden. (Als een kind jong overleed gebeurde dit meestal in het eerste levensjaar.)
  • Op 3 augustus 1749 trouwt ze op 34-jarige leeftijd met de katholieke (!) kleermaker Pieter Ott (geb. ca. 1720 en ca. 1730 met zijn ouders naar Hoorn verhuisd, waarsch. uit Straatsburg of omgeving).
  • Hun eerste kind Barent wordt 15 juni 1750 katholiek gedoopt.
  • 19 september 1752 wordt Maritje na voorstellingen en goede getuigenis van haar censure ontheven en tot 't gebruijk van 't Avondmaal des Heere toegelaten.
  • Hun tweede kind Aeltje wordt, nu gereformeerd (!), gedoopt op 18 februari 1753. Pieter en Maritje krijgen nog twee kinderen: Marijtje (1755) en Jan (1758), beide gereformeerd gedoopt.
  • Maritje Sloos overlijdt in 1790, 74 jaar oud. Pieter Ott overleeft haar nog 8 jaar.
bronnen:
- Notarieel Archief Hoorn 2418 (18-9, 14-12 (2x) en 17-12-1745)
- idem 2528 (24-11-1745)
- Magazijn Hervormde Gemeente Hoorn 52 (kerkeraadsnotulen 2-9-1745 tm 19-9-1752)
- Oud Rechtelìjk Archief (ORA) Hoorn 4489 (schoutsrollen 20-9-1745 tm 24-1-1746)

[7] Dit wijst er duidelijk op dat hij NIET is vrijgesproken. Was dit wel zo geweest dan had hij dat zeker gemeld. Hij doet nu net alsof de hele rechtzaak volledig buiten hem om is gegaan.


Mag. Herv. Gem. Hoorn nr. 52: notulen kerkeraad

2 september 1745
 Maritje Andries [N.B. getuige tegen zusjes Sloos 14.12.1745] waarvan in actis den 10 junij 1745 door aanhoudend wangedrag blijft onder censuur.
 Maritje Sloos buiten echt in de craam bevallen, is geresolveert dat overmits 't avondm. aanstaande is d' E.E. Predik. en ouderling van 't quartier verzocht worden in de huisbezoekinge haar ernstiglijk daar op aan te spreeken. ... gaet te waerheden over 8 dagen daar van rapport te doen, dat door hem E.E. is aangenoomen.
9 september
 Marijtje Sloos (waarvan in de laats voorgaande actis) De wijkpredikant en ouderling hebben aangaande de saak van Marijtje Sloos rapport gedaan en is geresolveert, sodra deselve uijt het kraambedde soude sijn herstelt te citeren.
28 october
 Marijtje Sloos, waar van actis den 9 september 1745 dewijl reets haar kerkgang gedaan hadt, sal ook geciteert worde tegen d' aanstaande vergadering op toekomende donderdag, twelk ook door D. Preses den koster is aangezegt.
4 november
 Marijtje Sloos, waarvan in actis de 9 septemb. en 28 octob. 1745, op de eerste citatie voor dese E. Vergadering comparerende, heeft D. Preses haar met alle nadruk op een alderzielroerendste wijs haar zondig wangedrag van overspel voor ooge gestelt: zij beleed daaraan schuldig te zijn en berouw te hebben van haar wangedrag, en storte daar over eenigsins trane: waarop de E. Vergadering heeft besloten, haar bij provisie onder censuer te zetten, wel te prijsen over het compareren op de eerste citatie dog met alle nadruk haar de schrikkelijkheijd, grouwelijkheijd en verfoeijelijkheijd van die zonde nog eens voor te stellen en haar af te manen van alle gelegentheden die daar toe konne strekken wordende zij vervolgens aan het opsigt van de Hr. wijkpredikant overgegeven; hetgeen haar met veel nadruk van D. Preses is aangesegt.

10 maart 1746
 Wouter Alkmaar, waarvan in actis den 3 maart. Wouter Alkmaar is op de eerste citatie verschenen wanneer door den heer preses op een seer nadrukkelijke en teedere wijse het


gerugt datter liep van overspel waaraan men seide dat hij sig hadde schuldig gemaakt; hetwelk van Wouter Alkmaar ontkent wierd, en gesegt dat de afmaking bij de schout buijten sijn kennis en weeten geschied was, en betuijgde verders aan het betigte overspel met Marijtje Sloos in geenen deele schuldig te sijn waarop vervolgens Wouter Alkmaar buijte gestaan hebbende wederom binnen stond, als wanneer de heer preses hem vooraf gepresen hebbende dat hij op de eerste citatie gecompareert was, hem ernstig vroeg (1) of hij voor God en dese vergadering met een goed geweten dorst te betuijgen dat hij aan het voornoemde overspel onschuldig was (2) of hij wel vrijheid bij sig selft vond om des wegen aan het H. & Hoogwaardig avontmaal te durven naderen? waarop hij antwoorde voor sig selft van jaa en dat hij wel vrijheid hadde bij sig selft om aan het avontmaal te gaan.

28 april
Wouther Alkmaar waarvan ook in actis 21 apr‚ 1746 verscheen stoutmoedig op de eerste citatie, maar gedroeg zig tot groot ongenoegen dezer E vergadering, hartnekkig en onbeschaamt, in 't verschonen bedekken en verbloemen zijnes ergerlijken ingangs, in 't zo befaamde hoerhuis, op de Westerdijk, genaamt de Prins, en wegens zijn beschonken dartel bedrijf aldaar genoegzaam zijn misgedrag schaamteloos ontkennende. Darom besloot de E vergadering, dezen hardnekkigen zondaar, naar 't prijzen zijner komst alhier op de eerste citatie, scherpelijk te bestraffen, en aan te kondigen dat hij zig provisioneel moest onthouden van het H Avondmaal, terwijl de wijkpredikant & ouderling op zijn gedrag zeer naauw zouden letten, of hij in 't vervolg met stigting zoude konnen worden toegestaan 't gebruik van dat H Bondzegel. Welk alles door den Eerw. Preses langmoedig & krachtig is verrigt en hem is aangezegt, waarop Wouther Alkmaar aan den E Preses fors en oneerbiedig antwoorde, ik ben uw dienaar, maar zal mij dan ook van de kerk wel wagten.

19 september 1752 [parafrase:]
Marijtje Sloos, waarvan in actis den 4 nov. 1745, is na voorstellingen en goede getuijgenis van haar censure ontheven en tot 't gebruijk van 't Avondmaal des Heere toegelaten.


ORA 4489: schoutsrollen 1736-1746

Geding 20 september 1745

Mr. Francois de Vicq, hoogschout deses stadts, R.O. Eijsser
contra
Wouter Alkmaar, jegenwoordigh commissaris en wijnkoper binnen dese stadt, Gedaagde

den heere eijss. segt conform de waarheijt dat den ged. een getrouwt man sijnde, sigh selven niet heeft ontsien, omme na veel aansoek, vleijerijen, en persuasien Marijtje Sloos, sijnde een ordentelijke ongetrouwde burgers dochter alhier, soo verre te seduceren ende te misleijden dat hij met haar vleselijk heeft geconverseert; en wel met die gevolgen dat sij door hem ged. is beswangert geworden en op den 26 augustus laatstleden van een soontje in het kraambedde is bevallen en verlost; waarvan sij ook gevolgelijk aan de vroedvrouwe die haar in de noodt heeft geassisteert, heeft verklaart den ged. alleen vader van dat haar kind en niemant anders te weesen met betuijginge dat sij Marijtje Sloos met niemant anders als met den ged. ooijt ofte ooijt eenige vleeselijke conversatie hadde gehouden; waardoor hij ged. sigh schuldigh heeft gemaakt aan de zonden van overspel, dewelke volgens de eijgen woorden van den souverain deser landen, den toorn Godts verwekken ende ontsteken over de landen en volken daar onder die regneren en ongestraft gelaten worden, waaromme haar Ed. gr. mog. de Heeren Staten van Hollant en Westvriesland daartegen ook na behooren hebben willen voorsien, en van tijt tot tijt bij placaten en resolutien de overspeelders de condigne straffen en boeten hebben opgelegt ent vervolgen en ter executie leggen van dien specialijk gedemandeert en aanbevolen de respective officieren; mits welke en andere redenen en middelen ist nood nader te allegeren den heere eijss. R.O. bij desen eijsch doende concludeert, dat den ged. ingevolge van 15 art. van de polijtique ordonnantie in dato 1 april 1580 bij vonnisse van desen Ed. Welachtb. Geregte sal worden verklaart als eerloos ende meijneedigh met er daat te hebben verbeurt sijn officie en staat indien hij eenige heeft van de voornoemde heeren staten, en voorts incapabel omme eenige staat ofte officie binnen dese landen ofte steden te mogen bedienen en daar en boven ingevolge het 16 art. gecondemneert in een boete van hondert caroli guldens, en dat al onvermindert al sulken regt als den geoffenseerde partij jegens den ged. als overspeelder competeert; ende wijders dat de vorengemelte boete uijt ragte van het placaat van dato den 11 september 1677 sal werden gequadrupliceert alles met de kosten ofte ten allen anderensine etc.


Pereboom voor de ged. behoudens des zelfs regt van eccepties als andersints versoekt copie en dag

Geding 4 october 1745 (alle schepenen present): Gedaagde is geroepen om te antwoorden.
't zegel tot presentatie is gescheurt
Pereboom als proc. van den ged. zegt na waarheijt, dat de middelen en positiven van eijsch zijn fals verciert onwaarachtig door een infame hoer gepractiseert, tegens alle waarheijt gedivulgeert, en bij den eijsser zeer onvoorsigtig en al te onbedagt den ged. aangezegt en als waarheden geposeert, antwoordend mitsdien concludeert bij expresse denegatie, inpertinentie en irrelevantie ten fine van niet ontfanckelijk en bij ordine tot absolutie van dese zeer temeraire eijsch en genome conclusie speciaal niet de costen, alles ongepro-indiceert en onvermindert alle zoodanige pretensien oft actien zoo in cas van hoon als andersints, als hij ged. in tijd en wijlen zoud willen doen en nemen zoo tegen den eijss. als Marijtje Sloots

Geding 11 october 1745 (gedaagde is geroepen om te repliceren)
't zegel tot de presentatie is gescheurt
De Rood voor de Hr. Eijss. dient van replijcq als bij geschrifte. gescreven op een zegel van ses stuijvers hier na geinsereert. Pereboom voor de ged. versoekt daarvan copie.
Johannes de Roodt als procureur voor den hr eijsser, seght dat het de onbeschaamtheijt selve is, dat de ged. den hr eijs. welke in dese amptshalven, en om het reght van de hoge overigheijt te bewaren, procedeert, niet alleen de stoutheijt heeft te insimuleren van onvoorsigtigheijt, en al te onbedaaghtsaamheijt in het entameren deser proceduren, maar selfs, dat de ged. sigh tot die vermetelheijt heeft laten vervoeren van daar en boven deswegens tegens den hr. eijs. voor sigh te reserveren alle soodanige pretensien ofte actien, soo in cas van hoon als andersints, als hij ged. preetenselijk in tijt en wijlen soude willen institueren, welke reservatie van actien, in opsighte van den hr. eijs. niet als calunieus, impertinent en tegens alle ordren kan worden aangemerkt te sijn geschiet en gantsch onvoorsightigh en al te onbedaght door des ged. practisijns in Judicio gedaan rolleren; dat de ged. verders bij sijn antwoort doet sien dat hij omtrent het bij hem geperpetreerde overspel heeft een toegeschroeijde conscientie, wanneer hij den accusatie daarvan voor vals versiert en onwaraghtigh niet alleen komt af te schilderen, maar ook een eerlijke burgersdoghter (immers voor soo verre den hr. eijs. bekent is) welke


 door hem ged. op alle mogelije wijse is gesedueeert en misleijdt geworden; voor een infame hoere komt te betighten, sullende den hr. eijs. in tijt en wijlen wel in staat sijn den reghten genoegh te verifieeren, dat niet alleen van sijn indispensabele plight is geweest op een wijse als in dese is geschiedt, tegens den ged. te moeten ageren, maar ook dat de ged. de condemnatie in den eijsch en conclusie ten sijnen lasten gedaan ende genomen met geen mogelijkheijt sal kunnen escapperen; mits welke en andere redenen en middelen is 't noot nader te allegeren, op gem'te procureur in name alsboven, alvorens te repliceren, versoekt den hr. eijs. en concludeert des noods; dat de periode alles ongepreesudiceert en onvermindert alle soodanige pretensien ofte actien soo in cas van hoon als andersints als hij ged. in tijt en wijlen soude willen doen en nemen tegens den eijsser, in des ged's conclusie van antwoort vervat, en alsoo ter rolle gebraght sal worden geroijeert, en dat over het selve gedicteerde des ged’s practicijns soodanigh sullen worden gecondemneert, als Wed. agtb. sullen komen goet te vinden; ende dienonvennindert ende daartoe alvorens ordonnantie versoekende, slaat aff de verdere middelen van des ged’s antwoort als impudent en impertinent, persisteert bij sijn wel gedane eijsch en genomen conclusie voor replicq.

Geding 18 october 1745
Gedaagde is opgeroepen om te dupliceren (reageren op repliek).
het zegel tot dees presentatie is gescheurt
Pereboom voor de ged. dient van duplijcq als bij geschrift. [niet beschikbaar, inhoud onbekend]
De Roodt voor de hr. eijs. versoekt daar van copie.

overige gedingen:

6 dec. 1745 produceren (tonen van stukken (waarsch. 24 nov.)) door eiser
20 dec. 1745 idem (waarsch. 14 en 17 dec.) door gedaagde
24 jan. 1746 "omme declaratoir* te hooren den zaak is af"
[*rechtsverklarende uitspraak v.e. rechter; decl. vonnis is vonnis waarbij aleen het bestaan v.e. recht wordt erkend of geconstateerd, zonder verdere veroordeling]


Notarieel Archief Hoorn 2415 - 23 juni 1741, testament Jan Bont





Meer data m.b.t. Maritje Sloos vóór 1745

1731 - Aaltje Tollinga (haar moeder), weduwe van Jan Sloos, koopt huis met grond aan de "westsijde op 't oude noort" voor 850-:-: [Oud Archief Hoorn 1591 p.26 en 2023 p.26]
1734-08-25 Aaltje Tollinga begraven in de Grote Kerk, als weduwe op het oude Noord [dtb]
1738-10-29 testament Jan Jansz Bont; erfgenamen Maritje, Jannetje en Pietertje Sloos [NAH 2412]
1739-04-03 transport Jan Bont [NAH 2486]
1739-04-21 testament Jan Bont - nu tevens erfgenaam: Cornelis Sloos, Cornelis Beschier, Saartje Pot [NAH 2413]
1739-10-09 testament Jan Bont - Cornelis, Pietertje, Jannetje Maritje [NAH 2413]
1741-06-23 idem (kopie zie boven) Pietertje, Jannetje Maritje [2415]
1742-03-01 impost op overlijden van Jan Bont, ongehuwd, won. Hoorn - aangifte door Claas Tromp te Hoorn. Classe 6 gulden.
1742-03-02 begrafenis Jan Bont, Grote Kerk - Koor 121 - impost 14 gulden 10 stuivers
1742-04-24 Maritje Sloos koopt obligatie van 1000 gulden via notaris Van Beek (blijkens akte d.d. 26-3-1753), akte echter niet gevonden.


### enige genealogische informatie Wouter Alkmaar ###


Hillebrant Alkmaer, imp. begr. 17-4-1719 Hoorn (aang. Metje Spruijt, 6:-);
otr. 28-3/ geh. 12-4-1711 Hoorn (j.m. Petten/ j.d. Smerighorn Hoorn)
Metje Spruits/ Spruijt, begr. 15-7-1737 Grote Kerk koor 94 (8:-), hertr. 5-1-1721 (otr. 21-12-1720) Hoorn (wed. Smerighorn Hoorn/ j.m. Amsterdam) Hendrik Boogaart

Wouter Alkmaar, ged. rf 26-1-1712 Hoorn (lidm. bel. 17-9-1738), imp. begr. 7-12-1756 Hoorn (6:-), begr. 8-12-1756 Grote Kerk op het koor 94 (familiegraf 8:-), z.v. Hilbrant Alkmaar (lidm. Hoorn 16-9-1711) en Metje Spruijt;
otr. 27-3/ geh. 11-4-1734 Hoorn (beide van Hoorn)
Aeltje Schoenmaker, imp. begr. 15-12-1768 Hoorn (15:-), begr. 21-12 Grote Kerk zuidzij 34 (8:-);
Kinderen:
  1. Hillebrant Alkmaar, ged. 6-2-1735 Hoorn, imp. begr. 13-4-1774 Hoorn (3:-), begr. 14-4 Grote Kerk koor 94 (8:-); in dienst VOC Hoorn 19-12-1757 als derdewaak, gerepatrieerd NL 24-6-1759 (geen schuld- of maandbrief); otr. en geh. 3-8-1760 Hoorn (j.m. rf/ j.d. rk beide Hoorn) Aaltje Eubels (dochter Meinoutje ovl. 1763, zoon Wouter geb. en ovl. 1764)
  2. (Sijmon, ged. 23-10-1736 Hoorn, begr. 28-12-1736 Grote Kerk zuidzij 271 (3:10))
  3. Neeltje Alkmaar, ged. 29-9-1739 Hoorn (lidm. 19-9-1764); otr. (1) 14-4/ geh. 1-5-1763 Hoorn (beide van Hoorn) Jan Baltus Mijer; otr. (2) 31-5/ geh. 17-6-1781 Hoorn Nanning Jager

W.A. doet aang. imp. begr. 27-12-1752 Hoorn Willem Henvoort (beide won. Hoorn, 3:-)

Geen opmerkingen:

Een reactie posten