zondag 30 juni 2013

1745 November 24 Pietertje & Jannetje Sloos

N.A. Hoorn 2528 (Pieter Warius) 24-11-1745

Desen 24 November 1745 compareerden voor mij Pieter Warius Evertsz: Openbaar Notaris bij den Ed: Hove van Holland geadmitteert, binnen Hoorn residerende, ende de nabesr: getuygen.

Pietertje Sloos, weduwe van Pieter Cramer, burgeresse binnen dese stadt, out in de sestigh jaren, en Jannetje Sloos meerderjarige dogter mede alhier, mij Notaris bekend, de welke ten versoeken van den Wel Ed: Gestr: Heere Mr. Francois de Vicq, hooghschout deses stadts P: 0: hebben getuyght, hoe waar is en eerstelijk verklaart sij eerste getuyge, dat Wouter Alkmaar, jegenwoordigh commissaris, en wijnkoper binnen dese stadt, in de jaren 1743, en insonderheyt 1744 diverse malen des savonts aan, ende ten huyse van haar dep[osan]te is gekomen om te vragen of haar night Maritje Sloos ten haren huyse was, en haar niet vindende weder vertrock, dat hij onder anderen in den jare 1744 in de maant april of may sonder den precise tijd te hebben onthouden savonts nae gissinh halff elff uren wederom ten haren huyse is gekomen om Maritje Sloos op te soeken, doende sij dep[osan]te op sijn aankloppen de deur open met een brandende lamp in haar hand, en vragende hij Wouter Alkmaar aanstonts haar dep“; of Maritje Sloos niet in haar huys was, waarop sij dep'te antwoorde, van neen, en hij Wouter Alkmaar tegen haar dep'te "dat weet ik beter, ik heb haar gehoort", nemende daarop de lamp van haar dep'te en soekende alsoo haar huysje door, tot selfs op haar veld, dogh dat hij Maritje Sloos niet vindende ook weder ten haren huyse is uytgegaan; dat nadien tijd is gebeurt dat Maritje Sloos ten haren deposantes huyse te nayen, off als nayster, zijnde, meergemelte Wouter Alkmaar savonts ten negen uren al wederom bij haar dep'te ten haren huyse quam om Maritje Sloos op te soeken, als wanneer hij ook bij haar gekomen zijnde, soo langh bleeff dat Maritje Sloos, en sij dep'te te samen hadden gegeten; Maritje Sloos toen eerst haar dep'te huys uytgaande en hij Wouter Alkmaar ook haar terstont vervolgende;

de tweede dep'te Jannetje Sloos verklaart dat sij al eenige jaren herwaarts, en insonderheyt tsedert sij met haar suster Maritje Sloos bij den anderen in samenwoninge en huyshoudinge heeft geleeft, opt Smereghorn schuyns over Wouter Alkmaar in desen meermalen genoemt, heeft bemerkt, ende gesien, dat Wouter Alkmaar haar suster Maritje Sloos veeltijts quam besoeken en als sij niet thuys ofte uyt nayen was, haar opsogt, en vervolgde; dat hij dikwels savonts, insonderheyt int laatst gepasseerde jaar 1744 bij haar ten haren huyse is gekomen en dan haar suster voornoemt in haar dep'te preesentie, wel
aanhaalde, kuste, en liefkoosde; even of hij vrijer van haar was, dat sij dep'te wel tegen hem Wouter Alkmaar heeft gesegt "Hoe kunje sulke malligheyt met mijn suster uythaale je bent immers een getrouwt man"; jae selve hem sulx wel heeft verboden, dogh dat hij dan haar altijt te gemoet voerde "Wel Jannetje ik sal haar geen quaet doen"; dat die conversatie haar dep'te dikwels tegen de borst streed, en daaromme hem veelmalen, als hij bij magt of ontijden aan haar deur quam kloppen hem heeft laten staan, en niet opengedaan, dog heeft sij wel bespeurt dat hij dikwels als sij dep'te niet thuys was des savonts bij haar suster quam twelk heeft geduert nae haar beste onthout tot october, ofte november vant najaar 1744 tsedert welke tijt sij niet heeft gesien dat hij verkeringe bij haar heeft gehad, of gehouden, verklarende de dep'te eyndelijk dat nae haar beste onthout nu omtrent twee jaren geleden is gebeurt, dat seker vrouwspersoon wonende op de dijk savonts ruym tien uren ten haren huyse is gekomen om lind te kopen en de deur aanstaande, hij Wouter Alkmaar, dies tijts vrij beschonken sijnde, de deur opendeed, en in huys quam vragende nae haar suster Maritje Sloos, en willende bij haar wesen, dog twelk sij dep'te tragtende te beletten en daarover woorden met hem krijgende, gaff hij haar dep'te slagen op de arm, en wilde met geweld in haar huys en bij haar suster blijven, dog twelk hem voor dien tijt, (vermits sij dep'te veel geraes maekte) mislukte en hij soo weder vertrock, betuygende sij dep'te dat niemant ter werelt ten minsten niet ten haren huyse eenige conversatie met haar suster heeft gehouden als Wouter Alkmaar, de welke haar suster ook altoos tegen haar heeft verklaart, de vader vant kint te sijn, waar van sij den 26 aug: laatstleden int kraambedde is bevallen en verlost, en hebbende dikwels onder dieren eede en betuyginge nog in de kraam leggende, en dodelijk swack sijnde, verklaart noyt nogte nooyt niet ijmant anders ter werelt als met Wouter Alkmaar te hebben gehad ofte gehouden eenige vleeselijke conversatie.

Marijtje Sloos ongetrouwde dogter out omtrent ses en twintigh jaren mede alhier verklaarde ten versoeken in den hoofde deses gericht, en wel eerstelijk als nogh in alle poincten en deelen te persisteren (nae dat het selve haar door mij Nots: weder was voorgelesen) bij haar gegeven, declaratoir van dato den 18 september laatstleden door haar, en mij getekent, wanneer sij deposante nogh wat siek, en swack, het selve houdende gevolgelijk voor in desen geinfereert, niet verdere verklaringe dat het gunt bij de eerste deposanten is gedeposeert geworden niet alleen is waar, ende waaragtigh, maar dat Wouter Alkmaar, al verscheyde jaren conversatie bij haar heeft gesogt en gevonden, en insonderheyt nu tsedert drie en meer jaren haar bijnae overal heeft opgesogt, en vervolgt, als ten huyse van Vrouwtje Collemans banketverkoopster alhier alwaar hij als sij daar was te nayen savonts quam om iets te koopen, nae haar vraagde, binnen bij haar quam setten, waarop Vrouwtje de Boer Colleman tegen haar seyde "als je malkanderen moet spreken gaan dan in de kamer", dagh waarop sij dep'te antwoorde "ik heb hem niet te spreken", waarop hij dan ook nae eenigh verblijff vertrocken is, gelijk hij ook wel bij avant en ontijden nae haar heeft gevraaght bij ende ten huyse van Marijtje Carels tans wed: van Jan van der Paden alhier, dat hij eyndelijk door al dat naeloopen, vlijen en aansoekingen haar soo verre heeft weten te bepraten, dat hij haar vervolgende, soo sij van de eerste dep'te quam mede in haar huys is gekomen, haar soenende, voelende en sodanigh stoeyende dat sij dep'te in de binnehaart op de gront is nedergeraekt en alsoo met haar vleeselijk heeft geconverseert, seggende meermalen "ik salje maineteneren", dat nae dien tijt hij dikwels en als haar suster uyt was met haar vleeselijk heeft geconverseert levende met haar even off sij sijn vrouw geweest was, seggende dan wel tegen haar onder liefkosengen‚ "ik woude wel dat je op een andere plaats en niet soo digt over mijnent woonde dan konde wij meer vrijheyt hebben, je moest in een andere buurt een huys buuren, ik salje niet verlaten blijff mijn ook maar getrouw, ik salje maineteneren, maar als ik wist datje met een ander verkeerde of wilde te doen hebben dan soud ik nooyt weder bij U komen" of diergelijke beloften en redenen in substantie, dat sij dep'te int best van de somer van den voorledene jare 1744 opt versoek van hem Wouter Alkmaar, en nae onderling overleg, met hem in een schuyt, als die van een uuren van dese stadt over Purmerent naar Amsterdam is gevaren, en daar om en aan seven uren aangekomen sijnde, heeft hij Wouter Alkmaar haar getuyge binnen Amsterdam (nae dat sij wel een halft uren hadden gegaan) geleyt in een herberg haar onbekent, hoe genaamt, of op wat straat staande, alwaar sij met den anderen dien avont hebben gegeten en gedronken, en naedien als man en vrouw met malkanderen sijn te bedde gegaan, hebbende hij haar dien naght meer als een ja verscheydene malen gebruykt en met haar vleeselijk geconverseert, als wanneer sij te samen smorgens opgestaan sijnde, nae het drinken van coffij hij Wouter Alkmaar haar dep'te uyt die herberg van daan heeft gebragt tot aan den dam en toen afscheyt van haar heeft genomen, als wanneer sij dep'te naar suster Jannetje Sloos mede getuyge in desen die sij wist dat toen te Amsterdam soud sijn van de schuyt heeft afgehaalt, en bij haar is gebleven, tot des nademiddags ten vier uren, als wanneer sij in geselschap van haar suster weder van Amsterdam is gevaren en te Purmerent gekomen sijnde, hebben sij dep'te en haar suster (die sulx mede verklaart) Wouter Alkmaar aldaar in een der herbergen bij de Beemsterpoort sien sitten, die in de roeft, en sij dep'te binnen in een en de selve schuyt naar Hoorn zijn gevaren, en eyndelijk dat wouter Alkmaar dat leven met haar heeft gecontinueert tot in de maand october of november 1744 als wanneer hij de laatste maal met haar vleeselijke heeft geeonverseert, dogh tsedert niet weder bij haar is gekomen, betuygende vervolgens als nogh heyliglijk met niemant anders de minste vleeselijke conversatie als met wouter Alkmaar te hebben gehouden; en die alleen vader van het kint waarvan sij den 26 augusti laatstleden is verlost te sijn;

De comparanten geven voor redenen van wetenschap als het zelve te hebben gehoort gezien ondervonden bij gewoont en voort als in den text te vreden zijnde (is 't noodt) dezen met solemneele eede te bevestigen.

Gedaan in 't bij zijn van den E: Hendrik Ennema, en Pieter Lap clercquen als getuygen.

+ dit is 't merk van Pietertje Sloos
+ dit is 't merk van Jannetje Sloos
Maartje Sloos
Hendrik Ennema
Pieter Lap

Sulx getuyge ik Pr: Warius Evertsz: nots:












Geen opmerkingen:

Een reactie posten